
Bloeiend en zelfstandig Aalst
Algemeen 218 keer gelezenDe Commissaris van de Koningin, Mr. A.E.J. baron Van Voorst tot Voorst, bezocht Aalst diverse malen (1899, 1903, 1907, 1911, 1916 en 1920). Hij trof een rustige, uitsluitend katholieke gemeenschap aan met een hoge moraal; criminaliteit, drankmisbruik en armoede waren er vrijwel onbekend.
In 1899 en 1903 bleek het oude raadhuis zo vergeven van de mieren en het vocht, dat er serieus over sloop werd nagedacht. De lokale wasbleker Koster wilde de grond kopen voor het uitzicht, waarna in 1911 de plannen voor nieuwbouw startten. Ondanks kritiek van de Commissaris op het gebrek aan verwarming en kastruimte, werd het nieuwe raadhuis in 1916 als een ‘net gebouwtje’ in gebruik genomen. Daarnaast werd in deze periode de oude kerk vervangen door een nieuw godshuis en verrees er een liefdehuis dankzij de zusters van Veghel. Aalst maakte een succesvolle agrarische en industriële ontwikkeling door. De gemeente plantte op grote schaal dennenbossen aan als vorm van werkverschaffing. Aanvankelijk aarzelde men over de kosten van vloeiweiden* maar met hulp van de Heidemaatschappij beschikte het dorp later over succesvolle natuurweiden. Rond 1920 werd zelfs een nieuwe boerderij gebouwd en verhuurd aan een Beemster boer. Regelmatig was er overlast door de watermolens van Eindhoven en Gennep, die de sluizen te lang dicht hielden waardoor beemden onderstromen. De wasblekerij van de familie Koster groeide uit tot de grootste van de provincie en deed goede zaken met het buitenland. Later bloeiden ook de schoenfabriek (die tijdens de Eerste Wereldoorlog legerorders uitvoerde), een weverij en een messensmederij op. Dankzij deze bloeiende industrie en de succesvolle grondontginningen stonden de gemeentelijke financiën er in 1920 zo goed voor, dat Aalst een zelfstandige gemeente kon blijven en een fusie resoluut afwees. Het oude gemeentehuisje stond voor wat nu (LUGAR) is en ook wel het oude raadhuis wordt genoemd.
John Rengers - werkgroep archeologie















