Foto:
Column Bart J.G. Bruijnen

Fischer-thesis

  Column

Een van de meer incoherente pensionado’s in ons dorp, een man die min of meer per ongeluk in de jaren ’80 een fortuin vergaarde met trainingen aan adviseurs over de coaching tijdens monitorwerkzaamheden, liet ons onlangs een houterige ingezonden brief lezen over de geneugten van het pre-colatijdperk. Überhaupt is de fizzy drink tegenwoordig vaak genoeg al reden genoeg voor een supermarktbezoek. Maar mayonaise zit ook in die hoek; vaker dan men denkt is men op zoek naar een excuus om mayonaise te kunnen eten, bijvoorbeeld ter begeleiding van een frikadel. Suiker en vet laten de moderne wereld draaien. Nu is vet wellicht makkelijk uit de ons omringende natuur te onttrekken, maar het produceren van suiker is voor de huis-tuin-en-keuken-doe-het-zelver nogal lastig. Met andere woorden: om suiker thuis in je voorraadkast te krijgen moet je meer overlaten aan het delegeren dan om vet op je aanrecht te toveren. Onze briefschrijvende babyboomer liet dit punt – begrijpelijk – liggen, maar hij bracht wel naar voren dat, volgens hem, zijn vrienden en hij een goede smaakontwikkeling hebben, omdat, volgens hem, zijn vrienden en hij geen zoete rotzooi als cola drinken en, volgens hem, mensen die wel zoete rotzooi als cola drinken geen goede smaakontwikkeling hebben.

Klinkt best logisch, dat laatste. Als je niet te veel oplet, tenminste, en als je tegelijkertijd naar het vrolijke geluid van koolzuurbubbeltjes aan het luisteren bent.

Maar het enige dat, volgens mij, uit deze woorden zou kunnen worden afgeleid, is dat er mogelijk coladrinkende mensen in ons midden zijn met een smaakontwikkeling die nogal te wensen overlaat – en dat onze gepensioneerde vriend waarschijnlijk vrienden heeft.

De conclusie van de senior komt voort uit twee negatief verpakte vooronderstellingen. Maar de gevolgtrekking is juist positief: bepaalde mensen hebben een goede smaakontwikkeling. En met negatieve uitgangspunten (zoals ‘geen x is y’ of ‘sommige x-en zijn niet y’) is dat gewoonweg niet jofel. Hier geldt eenmaal niet dat negatief maal negatief positief maakt.

Toevallig sprak ik die zeventiger gisteren over zijn soortement van essay, en het viel me op dat geen enkele van zijn toevoegingen aan de conversatie werkelijk voortborduurde op het bedoelde gesprek. Dan had de sociolinguïst Fischer dus toch gelijk (en gelukkig maar)! Dat moest ik het hele babbeltje denken. Wellicht had dat er vooral mee te maken dat ik die ochtend had zitten lezen over de Fischer-thesis.

Fischers gedachte was dat de uitingen van mensen een dialoog sturen en niet andersom. Dit lijkt een wat flauwe, zelfs voor de hand liggende hypothese, maar in Fischers tijd was de gangbare aanname dat de dialoog zelf juist de deelnemers ervan aan de hand neemt en hun uitspraken in het verdere verloop bepaalt. Veel academische takken waren destijds vol van dit idee van de opgelegde psychologie, en Fischer besteedde het grootste deel van zijn carrière aan de strijd tegen deze school - de lijvigste uiteenzetting van deze visie is te vinden in zijn The Conversational Theory of Shared Individualism, waarin hij de functie van de eigen inbreng (qua discours) en de daaruit voortvloeiende alomtegenwoordigheid in zo goed als alle wetenschappelijke literatuur tot die tijd onderzoekt.

Meer berichten

Het lokale nieuws in uw mailbox ontvangen?

Aanmelden