Foto:

Meise-theorema

  Column

Bart J.G. Bruijnen

Onlangs, in een minstens veertien meter lange file voor de plaatselijke ijssalon, had een hobbydeskundige – vooral, naar eigen zeggen, op het gebied van infrastructuur en ruimtelijke kwaliteit –, die normaliter adviezen geeft over de coaching van cursussen betreffende het geven van trainingen, weer een opvallende dooddoener te melden over de niet-autosnelweg die door ons dorp loopt, namelijk dat meer wegen uiteindelijk gewoon meer auto’s opleveren. Voor en achter hem stonden ook mensen die zich met het onderwerp bemoeiden, bijvoorbeeld over meer samenhang van vormgeving, materialisatie en kleurgebruik die de weg nodig zou hebben, maar híj had toch duidelijk hoorbaar de grootste opening in zijn hoofd waarmee gesproken en gegeten wordt.

Wachtende op hun hoorntje pepermuntijs of een bolletje met een andere, minder verfijnde smaak fluisterden de mensen her en der in de rij een over het algemeen verre van vleiende boodschap over de betreffende schreeuwlelijk. En nou is het wellicht een wat zonderlinge stelling dat meer wegen juist meer auto’s opleveren, maar om daar nou op te reageren met het ter discussie stellen van het karakter van de aandrager ervan, of diens intenties, dat lijkt mij niet te komen uit de verzameling van nobele en tevens kiese uitingen. Wat maakt het bijvoorbeeld uit dat de man geen stratenmaker is? Dat hoeft nog geen invloed te hebben op de verdienste van zijn uitlating. En wat zou het ertoe moeten doen dat hij vorig jaar door roekeloos gedrag jegens een rijksambtenaar zijn rijbewijs kwijt is geraakt? De integriteit van zijn uitspraken met betrekking tot autoverkeer hoeft hier uiteraard helemaal geen last van te hebben, toch?

Het is helemaal niet erg om iemand tegen te spreken op wat hij daadwerkelijk zegt, op wat het onderwerp waarachtig behelst. Mocht het gezegde niet duidelijk zijn, dan is het ook compleet legaal om om extra opheldering te vragen. Als je niet weet hoe meteen te reageren, is het volkomen toegestaan de ander te vragen wat die eigenlijk bedoelt met zijn uiting. Die ander is er allicht niet op uit om tegengesproken te worden, maar hij wil gegarandeerd begrijpelijk genoeg zijn om te kunnen overtuigen. En zodra je dan werkelijk met de inhoud van elkaars spraak bezig bent, ben je een echt gesprek aan het voeren. Dat je het daarbij niet (altijd) met elkaar eens bent, is dan misschien juist van belang. Dat weten we ook van het Meise-theorema, dat (wat poëtisch gesteld) luidt: ‘Communicatie is het openen en sluiten van compromissen.’

Het is door verschil van mening dat er communicatieve vooruitgang kan worden geboekt, stelt Meise. Wil je iets bij een dialoog invlechten, dan moet je wel overtuigd zijn van de orginaliteit ervan en in zekere zin ook een overwicht eraan toedichten ten opzichte van het voorafgaande. Toevoegingen aan een conversatie worden volgens die gedachte gestimuleerd door de onenigheid en de twijfel die het weerwoord naar voren brengt. En door die ‘verbale excursie’ van het gesprek aan te gaan, leer je tevens je eigen kletspraat kennen. Gaandeweg verandert elke opmerking zo de communicatie ten gunste van een volgende; en een volgende, enzovoort, totdat er een duurzame overlap bereikt wordt – het punt waarop het onderscheid tussen overeenstemming en de afwezigheid van overeenstemming verdwijnt.

Meer berichten

Het lokale nieuws in uw mailbox ontvangen?

Aanmelden