Wil van Gerwen zit boordevol verhalen over het oude bakkersvak. (Foto: Connie Sinteur)
Wil van Gerwen zit boordevol verhalen over het oude bakkersvak. (Foto: Connie Sinteur)

Wil van Gerwen zit vol verhalen over bakkersvak

Algemeen 34 keer gelezen

WAALRE - Net als veel andere beroepen is het bakkersberoep door de tijd veel veranderd. Wil van Gerwen (77) kan daar over meepraten. Hij rolde al jong het bakkersvak in, maar is dat niet zijn hele werkzame leven blijven doen. Na zijn vroegpensioen werd hij vrijwilliger bij de Grenswachter, het bakkerijmuseum in Luyksgestel. Daar waren ze blij met hem omdat hij het ambacht nog op de ouderwetse manier beheerste. Van Gerwen zit nog vol verhalen over het bakkersvak in vroegere tijden.

door Wilma Stofmeel

In de jaren vijftig kochten de meeste mensen op de pof, zo hield de middenstand de mensen op de been, maar het was ook een vorm van klantenbinding. Van Gerwen: “Wij waren met vijf kinderen, voor die tijd niet eens een groot gezin en hadden het niet breed. Om schulden af te lossen, hielp ik vanaf mijn zevende de melkman en de bakker ‘s morgens voor school met bestellingen te bezorgen. Na school waren er nog de naleveringen. Dat leverde 2,50 gulden per week op wat dan in mindering werd gebracht op onze schuld. Nu zou je dat kinderarbeid noemen, maar het was hard nodig. Zo rolde ik op den duur het bakkersvak in. Toen ik een jong gezin had en de kinderen weinig zag, besloot ik op 27-jarige leeftijd ander werk te zoeken.”

Zwaar

Toen was het bakkersvak zwaar. Je begon ‘s morgens met kneden, het rijzen kostte drie uur. Daarna werd het afgebakken. De bakkersvrouw bakte ‘s morgens het laatste brood af terwijl de bakker op pad ging. “Met kerstmis werkten we dag en nacht en zagen we de hele week nauwelijks ons bed. Af en toe bracht iemand zijn eigen deeg, om dat door ons te laten afbakken, daar legden we dan een briefje bij met de naam van de klant. Dat was soms uitkijken geblazen, want de Keuringsdienst van Waren kwam op onverwachte momenten binnen en nam voor de vuist weg brood mee om het droogstof in het brood te keuren. We hadden toen drie soorten brood en er was tarwe en rogge. Tegenwoordig is er veel speciaal brood, mensen hebben meer last van allergieën. In mijn tijd had je: regeringsbrood (0,40 gulden) een beetje grijzig brood, witbrood (0,45 gulden), melkbrood waar melkpoeder in werd gedaan (0,55 gulden) en worstenbroodjes. Gebak was nog heel simpel en er werden meestal grote speculaaspoppen verkocht. In de sinterklaastijd kwam de Vereniging voor de Jeugd helpen speculaaspoppen te maken.” Tegenwoordig zijn er rijs-stopkasten, het deeg wordt de dag van te voren bereid met de snelkneedmachine. Dan rijst het in de kast en wordt ingevroren. Een tijdschakelaar zet het ontdooien weer in werking. De bakker kan de volgende dag meteen het brood afbakken. Efficiënt, maar nooit zo lekker als het brood dat op de ouderwetse manier wordt bereid.

‘De bakkers hielpen elkaar bij een tekort aan meel of brood’

Van Gerwen herinnert zich nog bakkerij Gebroeders van Gastel in de Molenstraat met de grootste oven. Bakkerij Manders aan de Markt waar hij heeft gewerkt. Bakkerij Bonen was de jongste bakker, die was zijn tijd vooruit en begon met moderner gebak. “De bakkers waren geen concurrenten van elkaar, iedereen had zijn eigen klanten. Was er brood over en kwam de andere bakker tekort, of je kwam meel tekort dan hielp je elkaar. Omdat de bakkers nooit met vakantie konden, namen ze op een gegeven moment voor elkaar waar. Zo konden ze toch een weekje weg. Op mijn twaalfde bracht ik met de auto het brood rond. Ik kwam nauwelijks boven het stuur uit. Bakker Manders betaalde mijn rijbewijs toen ik achttien werd. Dat was een hele luxe, ik haalde het in zeven lessen.”

Uit de krant

Uit de krant