Een bijzondere winternacht


Foto: Pixabay

Een bijzondere winternacht

Hij heeft de startmotor vervangen en de klant is inmiddels tevreden in zijn auto vertrokken. Jochem trekt daarop zijn overall uit, wast zijn handen en sluit de werkplaats. ’Genoeg voor vandaag’, mompelt hij. Hij heeft de laatste tijd al te veel overuren gemaakt. Bovendien is het daags voor kerst.

Thuis gekomen rinkelt de bel. Echt aanstalten om naar de deur te gaan, maakt hij daarbij niet. Het is niet de eerste keer dat iemand te elfder ure nog een beroep op hem doet. Te laks om tijdig een reparatie aan de auto te laten uitvoeren, zodat hij, Jochem, nog op de meest onmogelijke tijd op mag komen draven. De bel blijft echter gaan. Harder en nadrukkelijker dan ooit. Jochem sloft daarop dan toch maar naar de voordeur.

Aan de deur staat een vrouw van middelbare leeftijd. Het duurt even voordat hij Heleen herkent. Heleen woont in dezelfde wijk en is vroedvrouw van beroep. De laatste keer dat hij haar sprak was tijdens een buurtfeest. Zij was toen wel heel wat relaxter. Nu lijkt ze gehaast, kijkt wat wild uit haar ogen en houdt angstvallig een grote tas tegen zich aangedrukt. Het blijkt dat ze opgeroepen is voor een bevalling. Het is echter, slechter kan het niet, opeens gaan ijzelen. ‘Ik durf de weg niet op. Ik ben sowieso al geen held in autorijden, maar ik moet, ik moet’, stamelt ze terwijl de wanhoop uit haar ogen straalt. Jochem probeert haar te kalmeren, rijdt zijn stationcar de garage uit en even later zijn ze samen onderweg. ’t Is inderdaad al behoorlijk glad aan het worden. Telkens als de auto van de weg dreigt te geraken, weet hij gelukkig te corrigeren. En zo vorderen ze langzaam maar zeker totdat het uiteindelijke doel, een eenzame boerderij ergens diep in de polder, in zicht komt.

Vlak voor ze er zijn legt Heleen even haar hand op Jochems arm en zegt: ’Ik durf je eigenlijk niet nog meer te vragen, maar zou je misschien ook nog wat willen blijven? Stel je voor dat we onverhoopt naar het ziekenhuis zouden moeten’. En zo zit Jochem niet veel later in de huiskamer van de boerderij. ’Nou eens geen kamperen bij de boer, maar kerstavond bij de boer’, bedenkt hij. Het ontbreekt hem daarbij aan niets. De vader in spé heeft hem gewezen waar hij eten en drinken kan vinden. Ook de hond blijft niet achter, legt af en toe zijn kop trouwhartig op Jochems knieën. Van buiten dringt tussen het rammelen van koeienkettingen nog de roep van een bosuil door. Bovendien hoort hij met tussenpozen nu ook het kreunen van de kraamvrouw. Gelukkig is inmiddels, zij het met aanzienlijke vertraging, de kraamverzorgster gearriveerd.

Dan, na lange tijd, schijnt alles in een stroomversnelling te komen. De vrouw krijgt het hoorbaar moeilijker. Het gekreun wordt intenser. Af en toe hoort hij nu ook hoe ze luidkeels aangemoedigd wordt. Dan volgt er ogenschijnlijk een adempauze. Echter niet voor lang, want gauw genoeg erna komt er weer zo’n climax aan gekreun en aanmoedigingen. Jochem zit op zijn stoel te draaien, terwijl de hond zijn oren spitst. Nog nooit was hij zo dicht bij een bevalling. ‘Zo’n bevalling is een soort oergebeuren’, bedenkt hij. ‘Je zult er maar doorheen moeten. Op kerstavond nog wel’. Net als de spanning ondraaglijk begint te worden, is daar dan toch eindelijk het bevrijdend huilen van de baby. Er klinken boven nog wel opgewonden geluiden, maar de spanning lijkt weggeëbd. Dat geldt ook bij Jochem.

Een tijd later wordt hij tot de slaapkamer toegelaten om de boreling, een jongen, te bewonderen. Deze ligt bij de trotse moeder. De kersverse vader staat er aangedaan bij en ook Jochem is geroerd bij het zien van dit tafereel.

Hoe anders vergaat het hem bij thuiskomst. Direct bij het binnenkomen valt hem de leegte van de huiskamer wel heel erg koud op het lijf. Hij en zijn vriendin Marieke hadden het de voorbije week weer eens, voor de zoveelste keer, over het krijgen van kinderen gehad. Marieke had zich daarbij vasthoudender dan ooit getoond. ‘Ik ben inmiddels de dertig ruimschoots gepasseerd, het is nu de hoogste tijd’, had ze betoogd. Hij had naar voren gebracht dat hij er nog niet helemaal aan toe was. Ze was daarop heel emotioneel geworden en daags daarna naar haar ouders vertrokken om daar de kerst door te brengen.

En zo zit Jochem op kerstavond in zijn eentje te koekeloeren. Om de doodse stilte in huis te bestrijden zet hij de t.v. dan maar aan en valt hier midden in een kerstviering. Na een kerstlied haalt de voorganger eerst het kerstkind uit de kerststal. Daarna toont hij tijdens zijn preek dit kerstkind aan de kerkgangers daarbij de vraag stellend: ’Wilt u dit kind aanvaarden? Het staat voor eenvoud, puurheid en ongekunsteldheid’. Voor Jochem geldt deze vraag wel heel erg letterlijk en het lijkt onderhand of de pastor zich speciaal tot hem richt. ‘Wil je een kind in je leven aanvaarden’, is nou net de vraag waar hij al een tijdlang mee worstelt. En het moet gezegd: De geboorte van het kerstkind van daarnet heeft hem danig aangegrepen. ‘Tja’, denkt hij, ‘misschien heeft Marieke toch gelijk en is het nu of nooit’. Hij realiseert zich daarbij dat hij ook op ander gebied wel ooit wat zwaar op de hand is. En de vraag of je kind wel in een voldoende veilige wereld terecht komt, geldt waarschijnlijk voor alle tijden.

Wat verderop in zijn preek tilt de pastor het zware, stenen kerstkind opnieuw op om het iedereen nogmaals te laten zien. Daarbij gaat hij verder: ’Wilt u het kind aannemen, u eigen maken. Het zorgt voor vrede, gerechtigheid, barmhartigheid. Neem dit kind als gave, als kerstcadeau’.

‘Een kind als kerstcadeau’, mompelt Jochem nu op zijn beurt. Hij kijkt daarbij rond en stelt zich de kamer in kerstsfeer voor met Marieke, hemzelf en een baby. Precies eender zoals hij uren eerder in de polder heeft beleefd. De hele verdere kerstavond laat dit idee hem niet meer los. Ten langen leste gaat hij op zoek naar zijn mobieltje, want hij is er uit. Het heeft heel wat voeten in de aarde gehad, maar nu hij tot zijn beslissing is gekomen voelt dit als een regelrechte bevrijding. ‘Lieve Marieke, kom naar huis dan hebben we volgend jaar mogelijk ons eigen kerstkind’, stuurt hij daarbij als boodschap de kerstnacht in. ’t Is al onder de morgen als hij tenslotte in slaap valt.

Een aantal uren later, terwijl het al tegen de middag loopt en Jochem nog niet helemaal bij zijn positieven is, dringt het vaag tot hem door dat er aan de voordeur gemorreld wordt. Gauw genoeg erna vegen er wat haren door zijn gezicht, voelt hij dat hij gekust wordt en hoort hij een zacht snikken.

Marieke is terug.

(Door: Gerard Compiet)

Meer berichten

Het lokale nieuws in uw mailbox ontvangen?

Aanmelden